Als de dag van gisteren herinner ik mij dat wij liepen door de straten van Tirana in 1993. Geen auto te zien, overal ezelskarren met mensen en kinderen, heen en weer slingerend op een baal hooi, kijkend met holle ogen, zoals ik die tot nu alleen kende van mensen die net bevrijd waren uit een concentratiekamp. Brood werd door de tralies verkocht, en bananen die we uitdeelden aan oudere mensen, werden eerst betast, en dan heel voorzichtig opengemaakt alsof ze een schat waren van ontelbare waarde. Achteraf hoorden wij dat men het hele fenomeen bananen niet kende, omdat de dictator Enver Hoxha ze had verboden gedurende vijftig jaar!!!
Vanaf de luchthaven reden we er in die tijd 5 ½ uur om naar onze bestemming in Noord-Albanie te komen; Bushat. Hedendage is het ruim een uur. Van het begin af aan hadden we iets met Albanie, en naast onze gewone werkzaamheden in Nederland, waren we in onze vrije tijd altijd bezig met Albanie. Door de jaren heen hebben we tientallen vrachtwagens met hulpgoederen gestuurd. Altijd reisden wij, of Moeder Cathrien, mee om de spullen op de juiste plaats te krijgen, bij de armsten. We hebben scholen, een kraamkliniek en Eerste Hulp Post gebouwd, kleinschalige ontwikkelingsprojecten waarbij altijd de mens centraal stond.
In 2004, bijna zeven jaar geleden, namen we de ingrijpende beslissing om met onze kinderen in Albanie te gaan wonen. Zo een beslissing neem je niet zomaar, daar gaat natuurlijk een heel verhaal aan vooraf. In het kort gezegd hadden we nogal wat meegemaakt waardoor je beseft dat het eigenlijk alleen nog maar gaat om het leven zelf. En je een leven moet kiezen waar je blij en gelukkig van wordt. Wij werden dat van Albanie.
En zo arriveerden wij in de zomer van 2004 samen met onze drie kinderen, Moeder Cathrien en een prachtige ambulance uit Nederland in Albanie. De eerste jaren was het onthaasten, wennen aan heel veel dingen waar je in Nederland niet meer bij stilstaat. Het gebied waar wij wonen leeft 90 % van de landbouw en veeteelt. Mensen zijn afhankelijk van de weersomstandigheden of hun oogst wel of niet lukt. Als het misgaat is er echt nog hongersnood, met name in de wintertijd. Afgelopen winter (2010/2011) toen we geteisterd werden door zware overstromingen zie je weer hoe breekbaar alles kan zijn. Oogsten totaal vernield door het wassende water. We hebben gedaan wat we konden om de mensen en de dieren te helpen.
De afgelopen jaren hebben we hier in Albanie iets opgebouwd. Ook zijn we een camping gestart door de enorme vraag en behoefte die er lag. Ook hierin delen Albanezen mensen mee die hun grond verhuren en daarmee een inkomen hebben. We werken ook nauw samen met de lokale autoriteiten en hebben het geluk dat er een goed lokaal bestuur is. Dan kun je wat met elkaar, is positieve verandering mogelijk. Ontwikkelingswerk is met name DOEN. Het doen van Doe Iets Goeds, de naam van onze Stichting. Ontwikkelingswerk is midden tussen de mensen staan, het samen DOEN. Op deze wijze kun je je verbinden met mensen, en weet je wat er daadwerkelijk leeft.
Over het Albanese volk doen vaak veel negatieve indianenverhalen de ronde. Naar onze mening ten onrechte. Van de Albanezen hebben wij weer geleerd dat vriendschap en vriendelijkheid niets kost, en tijd voor elkaar heel belangrijk is in het leven. Albanezen hebben, en maken altijd tijd voor elkaar. Je kunt altijd ergens naar binnen om een kop koffie te halen, zonder je agenda te moeten trekken.
Onze droom was een plek te maken, een humanitair centrum te bouwen, waar ruimte is voor iedereen. Mensen die in Albanie buiten de boot vallen; gehandicapten, ouderen, de verschoppingen van de maatschappij. Het heeft een aantal jaren gekost maar toch heeft Dick het kunnen bouwen met lokale mensen. Vanuit die plek gaan we op weg, en mogen er mensen komen, gewoon om Iets Goeds te Doen en te beleven. ‘Als er nooit meer een morgen zou zijn’, dan blijft alleen het leven, kun je alles loslaten om je droom achterna te gaan.
Voor meer informatie kunt u altijd contact opnemen. Het beste is om een email te sturen naar:
info@doeietsgoeds.nl
Helene en Dick Wesselingh
2010/2011


Artikel in dagblad ‘De Telegraaf’ van woensdag kerstavond 24 december 2008
Als avonturiers worden ze gezien, de Nederlanders die naar een Grieks eiland emigreren om daar een zeilschool op te zetten, of een bed&breakfast runnen in Toscane. In de tv-serie ‘Ik Vertrek’ wordt meegeleefd met hun ontgoochelingen en tegenvallers.
Die wederwaardigheden zijn lachertjes voor Helene en Dick Wesselingh. Indachtig het boek De Herberg met Het Hoefijzer van A. den Doolaard, over de vendetta en ander ongemak, riep iedereen: “Zijn jullie krankzinnig geworden?! Wat moet je dáár nou?!” Maar zij zetten hun drie kinderen op de achterbank om voorgoed naar Albanië af te reizen. Land waar níks is. Mogelijkheden zat dus voor dat Nederlandse vijftal dat onbaatzuchtig de zon laat schijnen in Albanië. “Een stap terug in de tijd. En een sprong vooruit.”
door MARIE-THÉRÈSE ROOSENDAAL
BARBULLUSH (ALBANIË), ………
Aan de hand van Dick Wesselingh (40) kreupelt een klein kereltje met een kabouterbaardje mee. Één oog dicht, drie tanden in de mond. Hij giechelt met snorkerige uithalen, sleept een tak met scherpe punt met zich mee.“Dit is Djerz”, zegt Helene Wesselingh (39) terwijl ze hem over zijn bol aait. “Hij is doofstom, maar de dorpelingen dachten altijd dat hij een gevaarlijke gek was. Djerz is heel lief. Hij is hier elke dag, hoort erbij. Hij ís gewoon.” Djerz, één uit de stoet Albanese misdeelden die bij de familie Wesselingh een toevluchtsoord vindt.
Vierenhalf jaar geleden emigreerden Helene en Dick Wesselingh met hun drie kinderen - Jane , Anne en Joshua – uit Nederland naar het dorpje Barbullush in Noord-Albanië. “Zijn jullie krankzinnig geworden?” vroegen familie en vrienden. De Albanezen stelden overigens precies diezelfde vraag… Albanië is immers het achterlijke stiefkind van Europa. Nadat een halve eeuw communisme in 1992 werd afgeschud, wordt het bevolkt door schiet-maar-raak Balkan-barbaren.
Om die hardnekkige vooroordelen lacht Helene Wesselingh: “Op onze laatste vakantie in Nederland wilden we maar één ding: met gierende banden terug! Dit is ons thuis.” Door haar moeder, Cathrien de Kuiper, kent ze het land al jaren. De nu 86-jarige ‘Moeder Cathrien’ bracht zestien jaar geleden het Albanese meisje Vosjawa na een oogoperatie in Amsterdam, naar huis. Haar grote hart brak toen ze zag dat die stumpers daar, behalve honger en ziektes, niets hadden: “Op maar drie uurtjes vliegen van onze luxe!” En met haar eigen hulptroep - acht kinderen met aanhang en een zwikkie kleinkinderen – bouwde ze er ziekenhuisjes en een kraamkliniek en zette ze een naaischooltje op en ritselde een Hollandse ambulance. De Stichting Doe Iets Goeds was een feit. Was Moeder Teresa een Albanese van geboorte, voor de Albanezen zelf is er maar één moeder: Cathrien. Met gejuich wordt ze daar begroet.
Idyllische zomervakanties lang waren Dick en Helene en hun drietal in Albanië van de partij. “Zwemmen in de rivier, wandelen in de bergen. Buiten leven, hier kan Joshua nog een fikkie stoken, is er iets mooiers voor een jongen? Onze kinderen zijn stralend gelukkig. Albanezen zijn aardig en echt. Hier leven mensen mèt elkaar.”
Jaren geleden keek Helen de dood in de ogen. “Ik overwon een ernstige ziekte en daardoor ging er bij mij een knop om. Materie, welvaart en carrière konden me gestolen worden, ik wilde iets doen met mijn hart.” Dick zat net tussen twee banen in, Helene zei haar werkgever vaarwel en ze verkochten hun huis in Egmond. “Het enige dat we geregeld hadden was een verzekering... Wij hebben een stap terug in de tijd gezet. Best wel eens slikken. Water pompen uit de put, de taal nog niet machtig. Rillend in dikke skipakken om de kachel met z’n allen…” Dick Wesselingh: “In de winter word ik wakker met bevroren tenen en sta ik om half zes ’s ochtends buiten brandhout te hakken.”
De stroom gaat elke avond klokslag tien uur uit, en anders om de haverklap. In het plotse pikkedonker onderbreken de Albanezen hun gesprekken niet eens. “Het is hier gewoon zo. Milieubewustzijn, denk ik”, spot Helene. De Albanese berm is één langgerekte vuilnisbelt. Aftandse Mercedessen knallen roetwolken in de lucht boven de tweebaansweg van Tirana naar Shkodër. Levensgevaarlijk zijn de manoeuvres om de talrijke paard-met-wagens – sukkeldrafje, berg groene kool met gezin er bovenop - in te halen.
Voorheen was dit Balkanland bezaaid met bunkertjes. Op nog geen drieënhalf miljoen Albanesen pootte het paranoïde regime van Enver Hoxha tussen 1974 en 1986 ruim 750.000 van die grijze pukkels. “Veel zijn er nu al gesloopt.” De weg wordt nu gemarkeerd door tankstations, en onaffe viaducten, funderingen van markthallen, contouren van wat ooit een pizzeria moest worden. “Albanezen verdienen wat geld in het buitenland, sparen en beginnen dan wat in het wilde weg. Marketingplan, wat is dat? En dan blijkt dat mensen liever naar de markt in Shkodër gaan… Een enorme kapitaalvernietiging. Het leuke is wel dat wij deel uitmaken van een opbouwfase. Een sprong vooruit.”
Laat ’t woord Holland vallen en alle Albanezen in de streek wijzen je de weg naar het blonde vijftal: “Andere buitenlanders zijn er niet. Zo nu en dan toe klopt er een angstige campertoerist bij ons aan. Die pief-paf-poef-verhalen zijn nogal hardnekkig. Ik ben hier nooit bang, dat is niet nodig. Al moeten we wel een mannetje inzetten als we een dag weg gaan. Bouwmaterialen zijn gewild.” Achter hun huis bouwt Dick een hospice, hij zet koffie voor de bouwvakkers: “Mannen uit de bergen verdienen hier hun boterham.”
Een sterfhuis in Albanië. Helene Wesselingh: “De jongeren trekken naar grote steden als Tirana, of gaan geld verdienen in Italië of Kosovo. Dan sparen ze en laten hier grote huizen neerzetten. Welverdiend hoor, het is ploeteren. Maar oude mensen blijven moederziel alleen over. En ik vind dat het levenseinde warm en mooi moet zijn.”
Helene en Jane stappen in de oude bestelbus. “Ontbijt brengen naar Marika. Doen we elke dag.” Een krot met een dak waardoor de hemel te zien is, door en door rotte, modderige vloerplanken. Geen elektriciteit, geen kraan. Onder een lappendeken ligt de 96-jarige Albanese. Met tandeloze kaken mummelt ze een banaantje weg. Ammoniakstank snijdt de adem af. Helene streelt de getaande hand van het rimpelbesje. “Marika trekt een luier steeds weg, net als zeil onder de lakens. Zo kan ze niet blijven liggen.” Even later ritselt ze in het ziekenhuisje een waterdicht matras.
De Hollanders verdienen de kost met landbouw: “Maïs en gras, daar is gebrek aan.” Hun leven is basaal. Tot afgrijzen van zijn kroost vertelt hun vader hoe hij hun eigen koe heeft geslacht: “En ik heb zelf worst gemaakt!” Even hunkert er iets in Helenes ogen: “Frikandellen, die mis ik… Op zondagavond even naar de snackbar is er hier niet bij.”
Anne en Joshua gaan naar het schooltje met 700 leerlingen in Barbullush. Tussen de scharrelkippen, wachten de kinderen twee aan twee als de bel luidt. Helene zegt het met opluchting: “Van drugs hebben ze hier nog nooit gehoord.” Dochter Anne lacht: “Maar de juf Engels slaat! Loopt ze rond, met een liniaal paf-paf tegen haar hand . Ik heb gezegd dat het niet mag van de mensenrechten.”
Jane krijgt thuis les van haar moeder, en andersom vertaalt zij als het Albanees boven haar moeders pet gaat. “Ik voel me nog net iets meer Nederlands dan Albanees. Maar ik wil nooit meer terug, Nederland is zo… Zo drúk.” Chatten doet ze niet met haar Albanese vriendinnen. “Hier ga je gewoon naar elkaar toe.” Knalt er voor Anne verdacht vaak een brommertje voorbij het afgelegen huis, Jane heeft al een half jaar heeft ze verkering met Mirsadi, de zoon van de meubelmaker.
“Mir, mir? (hoe gaat ‘t?)”, klinkt het Warm is het onthaal, Mirsadis moeder haalt álles uit de kast: frisdrank, chips, likeur, koekjes. “Meisjes hebben wel in het geheim een vriendje, maar hier verloof je je op je twaalfde met de man die je ouders voor je uitzoeken. Mij niet gezien hoor!”, vertelt Jane later.
Lachend vlucht ze de keuken in, om uit zichzelf voor iedereen de lunch te bereiden. Haar moeder zei het al met trots: “Jane flanst hier zo een driegangen-menu in elkaar, met groente en kruiden van eigen grond. Seizoensgebonden. Net zo hard werkt ze mee in onze ‘broodfabriek’.” Zodra de winterkou toeslaat bakt het gezin elke dag 220 broden om aan de allerarmsten uit te delen.
De broodronde: slalommend ontwijkt de oude bestelbus de diepste kuilen en grootste keien op het onverharde weggetje. Bij het horen van de motor beent een Tante Sidonia-magere Albanese naar buiten, omvat met groezelige handen de Hollandse gezichten. “Als eigen kinderen zijn ze voor me, zo lief.” Valse, graatmagere honden slaan schel aan, rukken aan hun rammelende kettingen. Spekglad is het modderpad dat zich steil omhoog kronkelt aan de voet van de berg. “Staan we weer te prutten”, lacht Helene, die houvast zoekt met een hak. Een verstandelijk gehandicapte jongen smeekt Dick met haast vloeibare donkere ogen. Dick lacht: “Hij wil een nieuwe blokfluit… Én een fiets.”
Ogen gaan stralen als de Wesselinghs ontwaren. Schuchter draalt een broodmager jongetje achter zijn moeders vuile rok, zijn zusje pulkt bedremmeld aan haar koortslip. “Dat jochie is acht ,maar heeft de lengte van eentje van een vierjarige.” Één muur van hun hut ontbreekt.
“Ze vertrouwen de artsen niet, ze gaan liever naar ons als ze wat mankeren. Uit de bergen komt vaak een herder van wie het halve gezicht weg is. Oor eraf, je kijkt er zo in”, vertelt Helene. “Zelf zegt hij dat het kanker is, maar omdat hij tussen de schapen leeft, denk ik meer aan en mijt die de boel wegvreet. Bij ons haalt hij gaasjes. En er komen er veel met zwerende brandwonden. Ze stoken zelf raki en met een slok op komt het gloeiendhete bezinksel dan op een voet terecht ofzo. Wij ontsmetten en verbinden. Tuurlijk kunnen we dat, een mens kan van nature meer dan-ie denkt. Bij onszelf dokteren we ook, ik zet zo de spuit op m’n oren.”
Bij een groenteboertje kopen ze een kool voor het avondeten. Thuis neemt Djerz net een muizenhapje van het lunchworstje dat hij nog altijd in zijn vuist gekneld houdt. Anne grapt: “Oei, hij is er zuinig mee…” Zonder geluid lacht de Albanees naar ‘zijn’ familie. Helene Wesselingh laat haar blik afdwalen naar de ruige bergkam die door de ondergaande zon met een onaardse purperen gloed wordt belicht. “Geven is mooi. Je krijgt er zo verrekt veel voor terug.”
Artikel in dagblad ‘De Telegraaf’ van woensdag kerstavond 24 december 2008 



'Moeder Cathrien van Beroep Engel'. Zo opende de Telegraaf op 12 juni 2004 het boeiende artikel over Moeder Cathrien.


Alle Albanezen weten het te vertellen: Moeder Teresa kwam oorspronkelijk uit Albanië.
Een naam die wereldwijd geen uitleg behoeft. Moeder Cathrien, dat zegt de meeste
mensen niets. Maar noem haar naam in het noorden van Albanië en alle gezichten
gaan stralen. De tachtigjarige Moeder Cathrien stopt al haar energie en liefde
in de misdeelden van dit vergeten land. Moeder Cathrien een Hollandse huisvrouw
die gewoon doet wat ze doet: “Ach,’t is mijn beroep”.
Door Marie –Thérèse Roosendaal
Bushat(Albanië), zaterdag.
De nieren krijgen geduchte opdoffers op de asfaltweg vol gaten, maar dat euvel lijkt de 80-jarige Cathrien de Kuiper-Barlag niet te deren. “Mooi hé”, wijst ze naar het ruwe gebergte, de sobere huisjes, de karren met paard of ezel ervoor. Na al haar bezoeken aan Albanië beziet ze het land nog altijd met nieuwe ogen.
Op de luchthaven is ze met een innige omhelzing begroet door burgemeester Zef Hila. Een druk bezette man die zijn aftandse Mercedes zigzaggend over de weg stuurt en ondertussen zijn tien dorpen bestiert via drie mobiele telefoons. Maar al heeft hij een berg werk te doen en al duurt dit ritje anderhalf uur, deze gast haalt hij in hoogsteigen persoon op. Cathrien de Kuiper doet niet aan plichtplegingen; “Zeg maar Moeder Cathrien, dat doet iedereen. Dat ge-mevrouw vind ik niks”. Al elf jaar verzorgt deze vrouw uit Ouderkerk aan de Amstel hulptransporten naar het land dat tot 1992 gebukt ging onder een streng communistisch bewind. “Drie uurtjes vliegen, het ligt om de hoek. Maar het is het stiefkind van Europa. ”Als ze in het dorpje Bushat het autoportier opent, vliegen wat opgeschoten jongens meteen op haar af. Terwijl ze er twee tegelijk omarmt, geeft ze een derde een aai over zijn bol. De doorgroefde koppen van oude Albanezen stralen als ze haar grijze hoofd ontwaren. Handen die tijden geen water en zeep hebben gezien omvatten liefkozend haar gezicht. Ze koesteren hun Moeder Cathrien, die in de arme noordelijke streek drie schooltjes
oprichtte en een kraamkliniek. Die zorgt dat de allerarmsten onder een knap dak komen te zitten.
Onvermoeibaar sleept ze medicijnen, schoolspullen, tuinbouwzaad, bedden, naaimachines,
kleding en ziekenhuisapparatuur en -bedden aan. “Die rotzooi”, zoals ze het in haar woorden bagatelliseert.
Tuindersdochter Cathrien is de oudste uit een gezin van vijftien kinderen. “En dan leer je wel aanpakken”. Na de oorlog trouwde ze een oudere man met een groentezaak. “Mijn man is zestien jaar geleden overleden. Het was een goed huwelijk, we kregen negen kinderen. Een dochtertje, de helft van een tweeling, overleed toen ze acht maanden was. Ik heb nu vijf dochters en drie zoons in de leeftijd van 56 tot 35 jaar. En vijftien kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.” Hélène, haar jongste kind, is meegereisd. “Dat helpen zit in de genen. Ik heb het in mijn jeugd met de paplepel ingekregen. Onze buurjongen werd missionaris in Ghana. En hoewel we het met zo’n groot tuindersgezin niet rijk hadden, stuurden we hem zo veel mogelijk”. Later zamelde ze naaimachines in voor Mozambique en Ghana. Eind jaren tachtig vroegen de zusters van Moeder Teresa in Amsterdam haar een meisje op te halen in Albanië. “Door een ontplofte granaat was het kind blind geworden. In het VU Ziekenhuis kon ze geopereerd worden.”. De toen zeventigjarige Moeder Cathrien vloog naar Albanië. “Dat meisje heb ik nog een paar weken in huis gehad. Toen ik haar ophaalde, was haar witte onderbroek zwart. En ze stonk zo, ik denk dat ze al een halfjaar geen schoon goed meer aan had gehad. De operatie is helaas niet gelukt. Toen ik haar terugbracht, had ik schoenen meegenomen voor haar broers. En die wilden ze meteen aan me terugverkopen. Ze hadden liever geld.” Ze ziet de gein ervan in, haar blauwe ogen blinken van de lach.
Vuilnisbelt
Moeder Cathrien was ontdaan door de miserabele leefomstandigheden in de dorpjes in het noorden. Haar Stichting Doe Iets Goeds was snel een feit. Een doener is ze, genoeg tijd verkletst; op naar de familie Nicolini, een gezin met vier zoons, van wie er drie geestelijk gehandicapt zijn.
Hun ‘erf’ is een vuilnisbelt van rottend afval, plastic, vieze lappen en karton, stukken glas, bemodderd ondergoed en een zwartgeblakerd fornuis. Moeder Cathrien- “ach jee, ze hebben ook nog brand gehad”- baggert op haar sandalen dwars door die zooi om vader Zeka de hand te schudden. De Nicolini’s leven in een sterk vervuild, bedompt vertrek. Een stuk bevlekt schuimrubber doet dienst als bed. Een zwerm vliegen speelt krijgertje, de lucht is adembenemend scherp.
Bang slaat de jongste Nicolini zijn handen voor zijn ogen. Moeder Cathrien gaat doodgemoedereerd zitten op de vieze lappen. “Welnee, daar krijg je niks van”, zegt ze later. Ze heeft voor andere woonruimte voor het gezin gezorgd. “Van de burgemeester heb ik een stukje grond afgetroggeld,
we hebber er een huisje op laten bouwen.” Een paar muren, een douche, een wc en een dak, niet meer, maar voor moeder Leze Nicolini is het een paleis. In de deuropening staat ze te stralen, lacht haar drie boventanden bloot. Moeder Cathrien geniet; “Moet je zien hoe ze dat melkkannetje alsmaar omkeert en omkeert.” De inboedel is meegekomen uit Nederland: tafels, stoelen, bedden,
matrassen, dekens, een kast, een tapijt, een schilderij, een kapstok, serviesgoed en schoenen.
Leze Nicolini pakt met beide handen de hand van Moeder Cathrien, in onuitspreekbare dankbaarheid. En die lacht: “Kijk nou hoe mooi ze is. Ik ga een gebitsprothese voor haar regelen.”
Een peulenschil voor de vrouw die bezig is een tehuis voor gehandicapten op te zetten: “
Ze stoppen ze hier uit schaamte weg, thuis in een hoekje. En daar worden ze zo agressief van.”
Voor de kraamkliniek wist ze destijds 125.000 gulden in te zamelen in haar woonplaats. Met vijftien familieleden knapte Cathrien het gebouw op: “Er was niet eens elektriciteit. De wc zat verstopt tot de bovenste verdieping. Een van de mannen heeft de troep er met de hand uit moeten scheppen.
Wat hebben ze gewerkt. De kliniek ruilt nu van plaats met het gemeentehuis. Dat is iets kleiner, maar er worden ook hier minder kinderen geboren. We koppelen er nu meteen een ziekenhuis aan vast.” Burgemeester Zef Hila bedank haar in een plechtige toespraak: “Moeder Cathrien is de enige die hier in het noorden van Albanië helpt. Uit naam van allen bedank ik haar voor al het goeds dat ze hier heeft gebracht. Wij wensen haar een lang leven.” Zijn secretaresse vertaalt het in het Engels. Moeder Cathrien verstaat er geen woord van: “Ik had tien jaar geleden natuurlijk Engels moeten leren. Maar ik denk altijd dat het de laatste keer is dat ik ga.” Ze praat toch wel tegen iedereen, gewoon in het Nederlands. En elke Albanees begrijpt wat ze zegt. Voor hen is zij de wandelende hoop op beter. Van grotere waarde dan die containerspullen is haar mensenliefde.
En haar warmte, die, zelfs een vrieskist kan laten smelten. Wars is ze van alle lof: “Het is mijn beroep. Maar dat lange leven wil ik wel, als het koppie goed blijft”.
Moeder Cathrien is geen rijke Sinterklaas; ze heeft niet meer dan AOW. Uit eigen zak betaalt ze de jaarlijkse transporten á 5000 euro: “Het is een sport om van mijn AOW te sparen. En ik krijg huursubsidie! Ik heb niet veel nodig, ik heb het nooit rijk gehad. Op de gaskachel warm ik het water voor de afwas. Ik eet geen vlees. Ik vind het wel lekker, maar och, ik heb het niet nodig. Een auto heb ik nooit gehad, ik had geen zin me daarvoor in de schulden te steken”. Dochter Hélène vertelt dat ze op donkere avonden vaak denkt dat haar moeder niet thuis is. “Dan zit ze bij één klein lampje te breien.” Moeder Cathrien haakte afgelopen winter 150 schooletuitjes. Met rijkdom heeft ze geen moeite, ze gunt iedereen het zijne: “Verspilling vind ik wél erg. Laatst zag ik dat iemand zomaar een restje kaas weggooide. Dat is zonde, dat kan je toch over de macaroni raspen? Ik vind het verschrikkelijk dat mensen goeie spullen zomaar weggooien om nieuwe te kopen.” Van een dekbedhoes maakt ze twee lakens: Want hier in Albanië hebben ze alleen dekens. Oude dekbedden pluis ik uit om er kussens van te maken.” Alles wat ze krijgt wast ze en verstelt ze. Een vuilniszak vol breinaalden ritselde ze al voor haar naaischooltje: “Ze zaten hier te hannesen met baleinen van een paraplu.” Van haar aow’tje betaalt ze ook nog de studie van een Albanese jongen: “Die krullenkop daar, met dat brilletje. Hij kan zo goed leren, maar zijn familie is straatarm. Die jongen is de toekomst van het land.” Moeder met een hart waarin plaats is voor alle verschoppelingen van de wereld. “Al moet ik droge boterhammen eten, als ik er eentje mee kan redden, doe ik het.” "
Gelovig is ze wel: “Maar de kerk doet me niet zo veel. In die tijd kan ik beter wat breien.” Met haar dochter logeert ze bij de burgemeestersfamilie in het dorpje Barbullush. De volgende dag bekent ze dat ze samen met Hélène, op de rand van het bed, een glaasje wijn heeft gedronken. Nagenietend: “Miswijn! Die fles was eigenlijk bestemd voor een pater. Maar Albanezen drinken en eten ’s avonds niks meer, en wij hadden nog wel zin in iets. ’t Was lekkere zoete wijn, en we hebben zo zitten lachten. Dat was nodig, het grijpt me allemaal toch wel aan. Ik ben Jantje lacht, Jantje huilt.” Jantje huilt weinig. Maar wel na het bezoek aan de familie Ndoc. De man, in de zeventig, ligt al zeven jaar verlamd in bed na een ongeluk. In een andere hoek van de kamer ligt sinds zeven maanden zijn uitgemergelde vrouw, geveld door een hersenbloeding.
Moeder Cathrien wordt door de man met gejuich begroet. “Hoe is het”, roept ze tegen hem.
Ze pakt zijn handen, blijft tegen hem praten en hij tegen haar. Opgetogen is ze als ze de vrouw ziet: “Oh, je lácht. Je lácht!”. Ze aait over haar voorhoofd, buigt zich voorover: “Op elke wang een dikke zoen.”De vrouw kijkt of ze een engel ziet, en ook Moeder Cathrien is zich bewust van een mirakel. “Twee maanden geleden gaf ik geen cent meer voor haar leven. Toen keek ze zo doods.”
Een zoon houdt een speech: “Moeder Cathrien is een deel van onze familie. In ons dorp zit ze in alle harten.” Zijn vader applaudisseert vanaf zijn bed. Er wat verlegen mee hoort Moeder Cathrien de vertaling aan. Snaaks: “Niet te erg roemen hoor. Dan ga ik naast mijn schoenen lopen en dan stap ik zo in de prut,” duidt ze op de modderzooi buiten. Ze krijgt een zelfgemaakt kleedje, verpakt in krantenpapier. Eenmaal buiten, op het drassige land, stromen de waterlanders, die ze verwoedwegveegt met dat stukje krant. “Soms wordt het met te veel.” Het is dezelfde Cathrien die wat later gierend van de lach een rondedansje maakt met verstandelijk gehandicapte kinderen, de stramme knieën vergetend. Dezelfde die onverzettelijk blijft staan als de opperpater van het klooster haar hulpgoederen in zijn opslagplaats achterover wil drukken. Dezelfde Cathrien die lijstjes maakt van wat er nog nodig is. Die rolstoel en dat kaarsenfabriekje zullen er dus wel komen, daar in Albanië. En die ambulance ook. Moeder Cathrien heeft wel grotere wonderen verricht. 















